Op een dag, niet zo heel, heel lang geleden woonde er een man in een klein huisje tussen de bomen. Marcel, want zo heette de man, was in dit huisje geboren. Net als zijn vader, diens vader, daar weer de vader van, nog een vader, en zo verder. Het huisje stond eerst in een heel mooi, groot bos, zo had Marcel van zijn voorvaders gehoord.

Maar elke generatie werd het bos tussen de stad en het huisje iets kleiner en nu had Marcel alleen nog een tuintje met een paar bomen. Hij wist niet precies vanaf hoeveel bomen je iets een bos kunt noemen, maar nu de gemeente hem gedwongen had nog een stukje grond te verkopen en werklui zojuist weer wat bomen hadden gekapt, was het zeker geen bos meer. Het groen was vervangen door het grijs van de nieuwbouwhuizen en het zwart van de zonnepanelen op de daken.

Net zo grijs en zwart was Marcels humeur geworden. Hij kon zich niet voorstellen dat mensen gelukkig waren in deze dertien-in-een-dozijnwoningen, met betegelde minituintjes met plantenbakken als groenvoorziening. Marcel ging elke dag boos naar bed en werd ‘s ochtends nog iets bozer wakker. Het voelde als David tegen Goliath, als hij in zijn eentje tegen de grote boze wereld.

Op een dag opende Marcel de gordijnen en keek recht in de ogen van de achterbuurman. Hij werd hier zo boos door dat zijn huis te klein was voor zijn humeur. Marcel moest naar buiten, stoom afblazen. Hij deed zijn oortjes in, zette Spotify aan, dook in zijn capuchon en hoopte dat een uur hard doorstampen even wat lucht zou geven, ruimte in zijn hoofd.

Marcel liep de Prinsessenlaan in. Nog steeds boos. Ontzet. Woedend. Op alles en iedereen, op de grauwe, grijze wereld om hem heen. Hij was zo kwaad dat hij niks van zijn omgeving opnam. Hij zag niks, hij rook niks, hij hoorde niks. Zelfs de muziek kwam niet bij hem binnen. Een opstaande stoeptegel liet hem struikelen. Door de schrik was hij heel even niet boos meer. En net op dat moment hoorde hij een stukje muziek dat hij niet kende, maar dat hij zo mooi vond dat zijn maag even omdraaide van geluk. Een gevoel dat hij slechts van lang, heel lang geleden herkende. Marcel drukte op terugspelen om het liedje opnieuw te beluisteren.

Marcel liep de Prinsessenlaan in. Zwaarmoedig, omdat hij de wereld niet begreep. Waarom moest altijd al het schone verloren gaan? Waarom had de mensheid altijd de behoefte zichzelf boven de natuur te plaatsen? Waarom was hij de enige die dat zag? Zijn hoofd zat vol vragen en zorgen toen hij de opstaande stoeptegel zag. Alles was altijd tegen hem, dacht Marcel, dus waarom zou hij niet over die stoeptegel struikelen? Zijn blik was zo op het naderend onheil gericht, dat hij schrok van de hond die vlak voor hem de stoep over schoot. Net op dat moment klonk het stukje muziek dat hem altijd raakte. Marcel nam zijn telefoon uit zijn zak en liet het liedje opnieuw beginnen.

Marcel liep de Prinsessenlaan in. Een echte nieuwbouwstraat. Veel dezelfde huizen, grijze muren en een grijze stoep. Verderop een losse tegel. Maar Marcel zag ook dat de mensen die hier woonden er toch iets van probeerden te maken. Er stonden bloembakken naast de deuren, sommige bewoners zaten op bankjes voor hun huis, er stonden mensen met elkaar te praten en binnen in huis zaten gezinnen aan tafel te eten, te studeren, te werken of gewoon tevreden te zijn. Er was meer leven dan je van een afstand kon zien. Een klein hondje rende de stoep over. Hij hoorde een vrouw vriend naar hem roepen, maar ze bleek het tegen de hond te hebben. Een oortje bleek uit te zijn gevallen, net op het moment dat zijn lievelingsnummer speelde. Hij stopte het oortje terug en drukte op rewind.

Marcel liep de Prinsessenlaan in. De zon gaf een warme gloed aan de grijze huizen. Hij had er stevig de pas in, dat luchtte op. De wolken in zijn hoofd waaiden weg, hij zag het geluk van de mensen. Met een klein hupje ontweek hij een losse tegel en de hond die voor zijn voeten langs schoot. De vrouw die de hond riep, lachte hem toe. Hij stak zijn hand als groet de lucht in en even vertraagde hij, alsof zij een bekende was met wie hij even bij moest praten. Deze dag was beter dan hij gedacht had, hij moest zijn lievelingsnummer gewoon nog een keer horen.

Marcel liep de Prinsessenlaan in. Hij had één oortje in, zij het andere. Voor hen liep Vriend, hij wist de weg tussen zijn nieuwe huis en zijn oude. Het was misschien wat warm om de laatste dozen op te halen, maar wat gaf het? Dit was de mooiste dag uit hun leven. Zij trok bij hem in, in hun kleine, groene paradijsje, zonder dat ze buurt hoefde te verlaten waar ze iedereen kende. Marcel scrolde wat door zijn muzieklijst tot hij vond wat hij zocht, liet haar met een miniem gebaar stilstaan en zette een liedje op. Bij elk nummer tot nu toe had hij gezegd dat dit echt een goed liedje was, maar nu zei hij niks. Ze zag hem slikken, een traan liep over zijn wang.

Toen het nummer afgelopen was, kneep ze even in zijn hand en vroeg ze of hij het nog een keer wilde draaien.

2 april 2022, 13:51