I

Wouter bracht zijn jeugd door aan de voet van de eerste heuvel van Zuid-Limburg. Voor hem was het een berg, het bos een oerwoud. Er was de steile, lange klim naar het maïsveld. Eén uitglijder en je kwam nooit meer levend thuis. Je had het vossenhol, waar Paul zeker weten een nest jongen had gezien en waarin niemand helemaal naar achter durfde te gaan. En er was de kuil op het donkerste plekje. De politie had daar ooit een lijk opgegraven. Elke middag na school moesten Wouter en Paul naar de Kollenberg, want je wist nooit wat er zou gebeuren.

Hoe groter Wouter werd, hoe kleiner de berg. Het oerwoud werd een bosje. Tien minuten lopen en je had alles gezien. De steile berg was niet echt spannend meer en het vossenhol gewoon een uitgegraven ondiep gat onder een boom. Wouters wereld was groter geworden, de heuvel nog maar een herinnering aan speelmiddagen met vriendjes die hij niet meer zag. De spanning zocht je in de kroeg, spelen deed hij met meisjes.

Wouters dochter was acht. Ze kwamen niet vaak op bezoek bij zijn ouders, maar nu waren ze er en het weer vroeg om een wandeling. Als vanzelf gingen ze rechts de hoek om, de holle weg in. Het was nog veel kleiner dan Wouter zich herinnerde. De zon scheen en dat maakt alles mooi, maar hier voelde Wouter een teleurstelling. Hij schoot uit zijn herinnering en zag Mariëlle nog net het gat onder de boom induiken. Even wilde hij roepen dat ze terug moest komen, maar toen zei hij: “Weet je dat mijn vriendje daar vroeger een vos heeft gezien?”

Er gebeurde niet veel op de berg, maar de belofte van avontuur was genoeg.

II

Ze had het vanochtend haast naar binnen gezogen. De laatste keer het weidse uitzicht over akkers en weides vanuit hun slaapkamer. Het einde van de wereld, je kon de horizon zien liggen. Er stond niks tussen droom en daad.

Ze hadden net patat gehaald. Hier noemen ze het friet. De dozen staan binnen, de verhuiswagen is weer terug naar het noorden. Een week geleden kreeg haar man een baan in het diepe zuiden aangeboden en ze hebben de sprong gewaagd. Afgelopen week zijn ze snel op en neer gereden om dit huis te bekijken. Het was goed genoeg.

Elke dag maken ze na het avondeten een wandeling. Je verwerkt het eten en de dag. Nu lopen ze door hun nieuwe straat. Hun nieuwe land. Rechts de hoek om, de weg loopt licht omhoog. Ze voelt het in haar kuiten. De huizen stoppen, een holle weg gaat verder. Aan de linkerkant staan voetvallen, die de kruisiging van Jezus laten zien. Het zijn welkome minipauzes om even de benen rust te geven. Ze heeft vijf minuten gelopen. Het voelt als veel meer.

Het bos wordt dichter, de weg steiler. De oranje lucht ziet ze alleen als ze recht naar boven kijkt. Om haar heen is het niet licht zoals het hoort te zijn, het is donker. De wereld hier slokt haar op.

Dan gaan ze naar links. Ze ziet de weg nog een sprongetje naar boven maken en dan houdt het op in het niets. De bomen wijken. Als ze naar links kijkt, ziet ze dat ze boven haar nieuwe stad staat. Ze ziet zelfs de koeltorens van het werk van haar man, kilometers verder weg.

De wereld ligt aan haar voeten.

Ik volg deze winter het Schrijfcafé van Jan van Mersbergen. Dit stuk is tijdens de vijfde bijeenkomst geschreven. Opdracht bij I: beschrijf een voor jou belangrijke plek door de tijd heen. Na deze stukken besproken te hebben kregen we de opdracht voor II: beschrijf de plek nu vanuit een buitenstaander.

15 december 2021, 20:44