Ik wandel graag door het dorp waar ik geboren ben. Het is klein, ligt in een weidse vlakte en er gebeurt niks op straat, maar veel in mijn hoofd. Altijd als ik bij mijn ouders ben, loop ik het dorp rond, zoek de herinneringen op straat.

Ik kom er te weinig.

Het is koud maar helder. Het lijkt of er een filter over de aarde ligt, die mijn melancholie versterkt. Het tankstation is nu onbemand. De basisschool is gesloten, de tekeningen op het raam zijn al bijna niet meer te zien. Maar ik zie Willem bij de kassa en knikker op het plein. Ik zie de weilanden waar we struinden en de molen waar we meel voor het brood kochten.

Als ik genoeg gezien heb, loop ik weer naar huis.

Bets ziet mij en zwaait. Ze wenkt, ik loop naar haar voordeur. Mijn oude buurvrouw vraagt of ik koffie wil. De oude Philips-filterkoffiemachine drupt en we praten over de zomers vol zon, over mijn broertjes en mij en hoe het nu gaat. Er gebeurt niks meer, zegt Bets. “Ik kijk naar buiten en af en toe loopt er iemand langs. Maar ook dat zijn ouwe lui. Dit dorp sterft uit.”
Ik vrees dat ze gelijk heeft en knik.

Bets schuifelt naar het kastje. Ze moet een jaar of tachtig zijn. Ik weet al wat er gaat gebeuren, want zo gaat het altijd. Ze zal niet vragen of ik een koekje wil, ze duwt het blik onder mijn neus. En ondanks dat ik weet dat ze slof zullen zijn, ik zal er toch een nemen.

“Kom eens,” zegt Bets als ze aan het dressoir staat. Ze heeft een foto in haar handen. In echt sepia, geen filter, zie ik een vrouw van mijn leeftijd met een baby op haar schoot. Op dezelfde bank als waar ik net op zat. Bets lacht. “Dit ben jij.”

Als ik vraag wie die mooie vrouw is die mij vasthoudt, antwoordt ze verlegen dat zij dat is. Ik schrik.

Een leven geleden was ze mij. Maar slechts een half leven verder ben ik zoals zij.

8 januari 2020, 14:35